Titeren

 

Wij hanteren een ander vaccinatiebeleid voor onze pups dan normaal gesproken. Wij leggen het graag aan u uit!

 

 

 

 

 

 

Als de pups geboren zijn, nemen ze met de eerste melk (de biest) die ze van hun moeder krijgen antilichamen op. Antilichamen zijn eiwitten die bescherming bieden tegen virussen, bacteriën en andere parasieten die het lichaam ziek kunnen maken. Hoeveel antilichamen ze binnen krijgen, is afhankelijk van hoeveel antilichamen de moeder heeft en hoeveel melk de pups opnemen tot ca.  de eerste 12 uur. Deze antilichamen blijven gemiddeld tussen de 6 en 12 weken aanwezig in het bloed van de pups, maar langer is ook mogelijk.

Gedurende deze periode zal deze bescherming van de pups tegen belangrijke virusziekten als parvo, hondenziekte en hepatitis afnemen en ophouden. Zolang die antilichamen in het bloed zitten, zijn niet alleen de pups beschermd, maar zal een vaccinatie ook niet aanslaan.

De reden dat we pups 3x vaccineren (6, 9 en 12 weken), is omdat we niet weten wanneer die antilichamen verdwenen zijn en we dus niet weten of een vaccinatie aan zal slaan of niet. De entstoffen die we gebruiken zijn levende entstoffen en een vaccinatie met een levende entstof is voldoende om langere tijd (lees: jaren) bescherming te geven. Dus eigenlijk slaat er van de 3 vaccinaties die ze normaliter krijgen, maar eentje aan en dan is de kans het grootst wanneer de pup dan dus geen antilichamen van de moeder meer heeft.

Nu bestaat er een test (de VacciCheck) waarbij we kunnen zien of er nog antilichamen aanwezig zijn in het bloed van de pups. Dus om onnodig vaccineren te voorkomen, kunnen we met deze test eerst kijken of er nog antilichamen zijn en pas wanneer deze verdwenen zijn, een vaccinatie geven. Dan krijgen de pups dus maar 1 vaccinatie in plaats van 3. Het mooiste is om dan ca. 4 weken na de vaccinatie te controleren of de vaccinatie inderdaad goed is aangeslagen. In het eerste jaar kunnen de antistoffen nog wel wijzigen, dus pas na een titerbepaling op 1-jarige leeftijd kan gezien worden wat het verloop in het eerste jaar is geweest en hebben ze hoogstwaarschijnlijk met 1 vaccinatie een jarenlange bescherming, waardoor er dus ook niet opnieuw gevaccineerd hoeft te worden.

In plaats van klakkeloos vaccineren laten wij dus eerst een titerbepaling doen. De uitslag daarvan staat in het paspoort, alsook wanneer de pup weer getiterd en/of gevaccineerd dient te worden. Niet alle dierenartsen doen dit en niet alle titerende artsen titeren ook pups, dus wij zullen onze pupkopers altijd een adres meegeven van een ervaren arts op het gebied van titeren van pups in hun eigen regio. Of we organiseren een gezellige terugkomdag waarbij we gelijktijdig ook laten titeren, net hoe het loopt. Sinds januari 2015 zijn de VacciCheck titerbepalingen volledig geaccepteerd en erkend door de Raad van Beheer en de WSAVA en geldig op Nederlandse shows, de meeste hondenscholen en ook bij steeds meer pensions.

Dit beleid kost vooral in het eerste jaar even meer inzet van zowel ons alsook van de toekomstige pupeigenaren, maar indien er op het juiste moment gevaccineerd is, dan heeft de hond door een minimale belasting van het immuunsysteem het maximale bereik aan antilichamen behaald. Even voor de duidelijkheid: wij zijn absoluut niet tegen vaccineren, maar wij zijn wel tegen onnodig en/of overbodig vaccineren. Want waarom het lijfje van een jonge hond zo zwaar belasten als het helemaal niet nodig is?

 

 

In de facebookgroep ‘Titeren met VacciCheck’ (https://www.facebook.com/groups/1170151009673305/) vindt u alle informatie hierover, alsmede de dierenartsen die volgens de laatste richtlijnen en inzichten titeren. U zult daar zelf zien hoelang de meeste honden beschermd zijn die anders ‘gewoon’ gevaccineerd waren geweest terwijl dat niet nodig was. Maar ook jonge honden waarbij de eigenaren ervan overtuigd waren dat hun jonge hond beschermd was omdat deze de 3 pupvaccinaties had gehad en die het hele eerste jaar dus onbeschermd waren omdat ze waren gevaccineerd terwijl ze nog over de natuurlijke antistoffen beschikten.

Het spreekt voor zich dat wij van de nieuwe eigenaren van onze pups verwachten dat zij hier positief tegenover staan en deze ingezette lijn ook zullen opvolgen.

 

Voordelen titeren:

  • De pup heeft veel minder belastende vaccinaties nodig (wanneer er gevaccineerd wordt terwijl de pup nog de natuurlijke antilichamen heeft, zal de vaccinatie vrijwel zeker niet aanslaan)

  • De kans is zeer groot dat, indien op het juiste moment gevaccineerd wordt, de hond jarenlang beschermd is met slechts één vaccinatie.

  • Het lichaam wordt niet onnodig belast door te vaccineren terwijl er nog voldoende antistoffen aanwezig zijn

  • Er is slechts 1 druppeltje bloed nodig om te kunnen testen

  • Er zijn dieren die overgevoelig (kunnen) reageren op vaccinaties. Door te titeren wordt er zo minimaal mogelijk gevaccineerd, waardoor het lichaam niet getriggerd wordt en andere problemen veroorzaakt.

  • Je weet precies hoe je hond ervoor staat en dat deze goed beschermd is.

 

 

Eventuele nadelen titeren:

  • Indien de pup nog lang over de natuurlijke antilichamen beschikt, dan zal er in het begin wat vaker getiterd moeten worden

  • Omdat niet alle dierenartsen met ervaring in titeren ook ervaring hebben met het titeren van pups (is anders dan volwassen honden), kan het zijn dat u daarvoor naar een andere arts moet in de regio.

vaccicheck-titeren-honden.jpg
foto titer.png

___________________________________________________________________________________________

 

Sterilisatie/castratie

Mijn advies in deze is: liever niet in een gezonde briard te snijden. Natuurlijk zijn er medische redenen of gronden om het wel te doen maar dan graag als uw hond geestelijk en lichamelijk uitgegroeid is. Dit is voor de briard een leeftijd na minimaal 1.5 jaar, liefst na 2 jaar. Als men voor deze tijd wil steriliseren/castreren dan graag in overleg met mij als fokker. Wordt uw hondje op heel jonge leeftijd toch geholpen dan kan ik niet garant staan voor de gezondheid en groei van uw hond.

Als kleine pup (vóór de leeftijd van 6 maanden)

  • Bewegingsapparaat: Een afwijkende groei van het bewegingsapparaat leidt tot langere en lichtere botten. Ook komt uit onderzoek naar voren dat er een grotere kans ontstaat op een voorste kruisbandlaesie, op ED en op HD. Bij reuen ontstaan gewrichtsproblemen door te snelle groei en door spierzwakte; de rol van testosteron (o.m. spierontwikkeling) wordt niet meer vervuld.

  • Geslachtsdelen: Relatief onderontwikkelde uitwendige geslachtsdelen (penis en vulva). Dit leidt vaak tot ontstekingen van de voorhuid en de huid rondom de vulva. Grotere kans op castratie-onzindelijkheid, blaasontsteking en vagina-ontsteking. De gecastreerde reu kan aantrekkelijk worden voor andere (intacte) reuen. Gecastreerde reuen kunnen elkaar gaan berijden.

  • Tumoren: Grotere kans op het ontwikkelen van een haemangiosarcoom (kwaadaardige bloedtumor) en bottumoren. Afhankelijk van het ras kan ook de kans op andere typen tumoren vergroot zijn.

  • Gedrag: Meer angst-gerelateerde gedragsproblemen. Zo kan een onzekere reu banger worden, waardoor zijn gedrag om kan slaan in angst-agressie. Bij teven een duidelijke kans op agressief en mannelijk gedrag (rijden, met poot omhoog urineren) na de castratie als de teef meerdere broertjes had. Negatieve invloed op de gedragsontwikkeling, vooral bij castratie in de socialisatieperiode.

  • Hersenfunctie: Meer achteruitgang van de cognitieve functies (dementie).

  • Schildklier: Grotere kans op traag werkende schildklier en dik worden.

  • Narcose: Groter risico van de narcose dan bij geen castratie of bij castratie op latere leeftijd.

  • Prostaat: Grotere kans op prostaattumoren.

  • Vacht: kans op de ontwikkeling van een “pluizige” vacht, met name bij langharige honden: de vacht wordt dikker, meer gekruld, moeilijker te onderhouden.

 

 

 

Van een half jaar tot één à anderhalf jaar

  • Bewegingsapparaat: langere en lichtere botten, grotere kans op voorste kruisbandlaesies, gewrichtsproblemen door te snelle groei en door minder spierontwikkeling.

  • Geslachtsdelen: Grotere kans op castratie-onzindelijkheid. De gecastreerde reu kan aantrekkelijk worden voor andere (intacte) reuen. Gecastreerde reuen kunnen elkaar gaan berijden.

  • Tumoren: Grotere kans op het ontwikkelen van een haemangiosarcoom (kwaadaardige bloedtumor). Afhankelijk van het ras kan ook de kans op andere typen tumoren vergroot zijn.

  • Gedrag: Meer angst-gerelateerde gedragsproblemen. Zo kan een onzekere reu banger worden, waardoor zijn gedrag om kan slaan in angst-agressie. Bij teven een duidelijke kans op agressief en mannelijk gedrag (rijden, met poot omhoog urineren) na de castratie als de teef meerdere broertjes had. Negatieve invloed op de gedragsontwikkeling.

  • Hersenfunctie: Meer achteruitgang van de cognitieve functies (dementie).

  • Schildklier: Grotere kans op traag werkende schildklier en dik worden.

  • Prostaat: Grotere kans op prostaattumoren.

  • Vacht:  kans op de ontwikkeling van een “pluizige” vacht, met name bij langharige honden: de vacht wordt dikker, meer gekruld, moeilijker te onderhouden.

Als volwassen hond

  • Bewegingsapparaat: grotere kans op voorste kruisbandlaesies, gewrichtsproblemen door minder spierontwikkeling.

  • Geslachtsdelen: Grotere kans op castratie-onzindelijkheid. De gecastreerde reu kan aantrekkelijk worden voor andere (intacte) reuen. Gecastreerde reuen kunnen elkaar gaan berijden.

  • Tumoren: Grotere kans op het ontwikkelen van een haemangiosarcoom (kwaadaardige bloedtumor). Afhankelijk van het ras kan ook de kans op andere typen tumoren vergroot zijn.

  • Gedrag: Meer angst-gerelateerde gedragsproblemen. Zo kan een onzekere reu banger worden, waardoor zijn gedrag om kan slaan in angst-agressie. Bij teven een duidelijke kans op agressief en mannelijk gedrag (rijden, met poot omhoog urineren) na de castratie als de teef meerdere broertjes had.

  • Hersenfunctie: Meer achteruitgang van de cognitieve functies (dementie).

  • Schildklier: Grotere kans op traag werkende schildklier en dik worden.

  • Prostaat: Grotere kans op prostaattumoren.

  • Vacht: kans op de ontwikkeling van een “pluizige” vacht, met name bij langharige honden: de vacht wordt dikker, meer gekruld, moeilijker te onderhouden.

 

Conclusie

Er zijn goede redenen om een hond (reu / teef) te laten castreren. Er zijn ook goede redenen om een hond (reu / teef) níet te laten castreren. In het algemeen zijn er meer nadelen van de castratie te verwachten naarmate de hond ten tijde van de ingreep jonger is.

Verschillende “aandoeningen” die als reden voor castratie genoemd worden én verschillende aandoeningen die door de castratie veroorzaakt worden, kunnen met reguliere therapie, met homeopathie en/of met gedragstherapie verholpen worden.

 

briard tekening.png

______________________________________________________________________

 

Ectopische ureter bij de hond

Ectopische ureter of ureteren is een aangeboren afwijking van de urinewegen bij de hond. Deze afwijking houdt in dat de afvoerende urinewegen van de nieren naar de blaas verkeerd zijn aangelegd. De aandoening kan eenzijdig of tweezijdig voorkomen. Rassen waarbij ectopische ureteren relatief vaak voorkomen en waarbij fokkers (waaronder ook ik als fokker) ook preventieve screening van hun pups doen zijn: Briard, Labrador Retriever, Golden Retriever, Entlebucher en Bearded Collie.

Normaal gesproken eindigt de afvoerbuis van de nier in de blaas ruim voor de blaashals en de sluitspier (rode pijl). In het geval van een ectopische ureter eindigt de afvoerbuis te dichtbij of zelfs na de sluitspier (blauwe pijl) direct in de plasbuis. Het gevolg is dat de sluitspier de urine niet goed in de blaas kan houden en de hond urine lekt.

Honden met één of twee ectopische ureteren zijn ook gevoeliger voor blaasontsteking. Daarnaast kan er doordat de afvoerbuis door een langer stuk blaaswand loopt, een verstoorde afvoer van urine ook ophoping (stuwing) van urine plaatsvinden in de nier die mogelijk tot nierschade kan leiden.

Het vroegtijdig vaststellen van een ectopische ureter is daarom essentieel. Op deze manier kan verdere schade aan met name de nieren worden voorkomen. Omdat ectopische ureteren een aangeboren afwijking is en dus met name wordt gezien bij jonge honden kan de diagnose lastig zijn. Mensen nemen een pup in huis en gaan volledig toegewijd aan de slag met het zindelijk maken van hun pup. Wanneer een pup niet of slecht zindelijk wordt, wordt dat vaak geweten aan “het pup zijn: hij moet het nog leren.” Echter het is belangrijk om signalen van een ectopische ureter vroegtijdig te herkennen en bij twijfel contact op te nemen met uw dierenarts.

Symptomen

Symptomen van een ectopische ureter kunnen heel divers zijn en in meer of mindere mate voorkomen.

  • Urine incontinentie (lekken van urine). Dit kan plaatsvinden tijdens het lopen maar ook vaak tijdens de slaap.

  • Vaker kleine beetjes plassen

  • Veel drinken

  • Slecht of niet zindelijk krijgen van uw pup

Diagnostiek

Wanneer u 1 of meer van bovenstaande zaken herkent, is het verstandig een afspraak te maken bij uw dierenarts. Neemt u bij uw bezoek alstublieft ook verse urine (max 8 uur oud, gekoeld bewaard) mee, zodat wij deze kunnen onderzoeken. Indien uw huisdier wordt verdacht van de aanwezigheid van een verkeerd aangelegde urinebuis, dan zal er een echo worden gemaakt van blaas, nieren en urinewegen. (zie ook ectopische ureter screening)

Behandeling

Indien middels echo is vastgesteld dat uw dier een verkeerd aangelegde urineweg heeft, zal deze chirurgisch moeten worden hersteld. Daarnaast zal een eventuele urineweg infectie alsmede een mogelijke beschadiging van de nier worden behandeld. Tijdens de operatie wordt een verkeerd aangelegde urinebuis losgehaald en op de juiste plaats in de blaas geïmplanteerd en vastgehecht.

Afbeelding eu.jpg

___________________________________________________________

 

HD, wat is dat eigenlijk?

 

De afkorting staat voor Heup Dysplasie, en dysplasie betekent "abnormale groei". Vergroeiing of misvorming dus eigenlijk.

Het is een aandoening die voor ongeveer 2/3 wordt veroorzaakt door milieufactoren, voor 1/3 is het erfelijk bepaald.

De vele internationale wetenschappelijke onderzoeken die in de loop der jaren gedaan zijn hebben dat uitgewezen.

 

Simpel gezegd is het zo dat een hond met een aanleg voor HD dat kan ontwikkelen wanneer de milieufactoren ongunstig zijn, en hij kan het in lichte mate ontwikkelen als de milieufactoren gunstig zijn. Heeft een hond de erfelijk aanleg niet, dat zullen ook ongunstige milieufactoren niet van zware invloed zijn op het ontwikkelen van de afwijking.

Zie deze aandoening als een huis: als er geen fundament is (geen erfelijke aanleg) kan het niet worden gebouwd. Geen HD. Zelfs bij veel materialen (belastende milieufactoren) wordt het nooit wat: dat huis blijft niet staan. De aandoening ontwikkelt zich niet.

 

Als er wel een fundament is (erfelijke aanleg) maar de materialen zijn er niet of onvolledig (weinig belastende milieufactoren) wordt het een klein en incompleet huis. Zeg maar een lichte vorm van HD of alleen een röntgenologisch zichtbare aanleg.

Zijn de materialen er allemaal wel (veel belastende milieufactoren) dan wordt het een volledig en groot huis: HD is dan aanwezig en in mindere of meerdere mate ontwikkeld.

Overigens betekent ontwikkelde HD niet per definitie dat de hond klachten heeft: een goede bespiering kan veel opvangen. Hoe dat kan, leggen we u verderop in dit stuk uit.

 

Wat zijn nu precies die milieufactoren?

 

De milieufactoren omvatten verschillende aspecten. Zo is voeding belangrijk, maar ook beweging.

De samenstelling van de voeding is van groot belang. Veel mensen geven voedingssupplementen, maar dat werkt vaak tegengesteld, zo is uit onderzoek gebleken.

Een volledig voer, brokken of vers, is het beste.

Daarnaast is het erg belangrijk dat de hond niet te zwaar is, met name tijdens het groeien. Te veel gewicht is belastend voor de gewrichten.

Teveel of verkeerde beweging is ook belastend tijdens de groei. Denk daarbij aan te lange wandelingen: een pup kan nog niet uren lopen.

Verkeerde beweging is ook bijvoorbeeld: voortdurend uitglijden op het parket, dagelijks uren door het zand ploegen of aldoor maar weer achter de bal aan, en daarbij snelle draaien en sprongen maken. Allemaal dingen die niet goed zijn voor een hond in de groei.

 

HD is een botprobleem, en het is een onomkeerbaar proces. Als een gewricht niet goed of op een verkeerde manier is ontwikkeld, komt dat niet goed.

Het is niet van te voren te zien, een diagnose is pas te stellen als de hond minimaal een jaar oud is. Dan kunnen er röntgenfoto's worden gemaakt die vervolgens door een speciale commissie van de Raad van Beheer dienen te worden beoordeeld.

 

Wat zijn de symptomen?

 

De symptomen hangen af van de ernst van de afwijking. Bij een ernstige vorm van HD kan een hond last hebben van:

 

Stijfheid

Startproblemen na het slapen

Een achterpoot ontzien

 

Het is niet zo dat dergelijke dingen betekenen dat uw hond HD heeft: HD kan alleen worden vastgesteld door het nemen van röntgenfoto's, die vervolgens door een orthopedisch gespecialiseerde dierenarts of door de specialisten van de Raad moeten worden beoordeeld.

Maar ook andere dingen kunnen de oorzaak zijn van klachten. Laat uw hond bij dergelijke problemen dus altijd controleren door uw dierenarts!

 

Hoe ziet dat eruit: goede en slechte heupen?

 

Afbeelding heupgewricht.jpg

Hiernaast is een heupgewricht afgebeeld.


Bij de ideale situatie zoals hier aanwezig, is de gewrichtskop van het dijbeen 100% aangesloten in de gewrichtskom. De kop is volledig opgesloten in de heupkom en vertoont geen speling.

 

Helaas komen dergelijke perfecte heupen niet zo vaak voor als we wel zouden willen.

Daarom heeft de Raad van Beheer al vele jaren geleden een onderzoekscommissie in het leven geroepen waar door een team van deskundigen ingezonden röntgenfoto's van heupen kunnen worden beoordeeld. Deze beoordeling kent een streng protocol: alleen het ras is bekend en de leeftijd van het dier, maar de naam en de eigenaar is dat niet. De foto moet aan strenge eisen voldoen: ligt de hond niet exact zoals voorgeschreven dan kan dat de uitslag beïnvloeden, en om die reden worden soms foto's afgekeurd. In dat geval zal de dierenarts gratis een nieuwe foto maken, zodat de heupen van de hond in kwestie opnieuw kunnen worden beoordeeld.

Op deze manier kan de erfelijkheid van deze aandoening in kaart worden gebracht en kunnen betrokkenen inzicht krijgen in welke fokdieren de beste keuze zijn.

Hierbij kijken we dan niet alleen naar de heupen van de ouderdieren, maar ook naar die van de nestgenoten van de ouders en de nakomelingen via andere lijnen en verwantschap.

Op deze foto's ziet u de heupen van een pup.

 

Links de eerste levensdag: de heupen en de dijbeenbotten raken elkaar nog niet. Het bekken is nog nauwelijks ontwikkeld.

Dat is nodig, anders zou de pup niet geboren kunnen worden. Uiterste flexibiliteit van het hele lichaam is nodig om door het geboortekanaal te passen!

Wanneer de pup 8 weken is,  begint het al enigszins op een heupgewricht te lijken, maar echt gevormd is het nog niet.

Zo zien de heupen er dus uit als u uw pup meekrijgt: geen wonder dat ze dan nog wankel op de pootjes staan!

En nu begrijpt u meteen waarom u voorzichtig moet zijn met uw pupje: het zit nog niet zo stevig in elkaar allemaal!

Op de rechterfoto ziet u de heupen van een jonge hond van 20 weken. Het is nu een min of meer compleet heupgewricht.

Afbeelding heupen pup.jpg